Nieuwe Defensiewet trekt hele samenleving de militaire gereedheid in, Raad van State is bezorgd

De nieuwe Kamerstukken over de Wet op de defensiegereedheid laten zien dat het kabinet verder kijkt dan kazernes, oefenterreinen en militair materieel. De wet gaat niet alleen over een krijgsmacht die sneller moet kunnen oefenen. Zij past in een bredere omslag waarin zorg, energie, logistiek, onderwijs, bedrijven, burgers en jongeren onderdeel worden van de nationale veiligheidsaanpak. Dit leidt tot zorgen bij de Raad van State.

Het kabinet noemt dat een ‘whole-of-society aanpak’. In gewone taal: de hele samenleving moet meebewegen met de militaire gereedheid van Nederland. Dat maakt de wet politiek gevoelig. Critici zien een sluipende militarisering van civiele domeinen.

De kern staat scherp in de stukken. ‘Uitgangspunt is dat de gehele overheid en samenleving onderdeel zijn van de nationale veiligheidsaanpak.’ Daarmee krijgt Defensiebeleid een veel bredere reikwijdte. Het wordt niet langer alleen een zaak van militairen, maar ook van scholen, ziekenhuizen, bedrijven, lokale overheden en burgers.

Defensie wordt maatschappelijk project
De Wet op de defensiegereedheid moet de krijgsmacht sneller en realistischer laten voorbereiden op oorlogsscenario’s. De internationale dreiging, vooral vanuit Rusland, wordt daarbij als belangrijkste reden genoemd. Defensie moet kunnen groeien, oefenen, inkopen, trainen en personeel inzetten zonder telkens vast te lopen op regels die volgens het kabinet nog te veel zijn geschreven voor vredestijd.

Eerder bleek al dat het kabinet Defensie noodbevoegdheden wil geven zonder officiële noodtoestand. Maar de nieuwe stukken laten zien dat de wet ook een maatschappelijk project is. Het kabinet spreekt over een ‘weerbare maatschappij’. Die weerbaarheid moet niet alleen binnen Defensie worden opgebouwd, maar in de hele samenleving.

Daarom worden volgens de stukken medeoverheden, maatschappelijke organisaties, private partijen en burgers actief betrokken. Het doel is het creëren van ‘collectief bewustzijn’ en een ‘breed gedragen gevoel van urgentie’. Dat zijn geen kleine woorden. Het kabinet wil de bevolking dus niet alleen informeren, maar ook meenemen in een veiligheidsdenken waarin militaire paraatheid een gedeelde verantwoordelijkheid wordt.

Zorg, energie en logistiek schuiven op richting Defensie
Vooral de koppeling met civiele sectoren valt op. In aanloop naar en tijdens een grootschalig militair conflict heeft Defensie volgens de stukken ‘civiele ondersteuning’ nodig. Daarbij worden drie terreinen expliciet genoemd: infrastructuur en logistiek, gezondheidszorg en energie.

Dat betekent dat sectoren die normaal vooral civiele taken hebben, steeds nadrukkelijker worden bezien door een militaire bril. Wegen, havens, zorgketens, ziekenhuizen, energievoorziening en transport zijn dan niet alleen voorzieningen voor burgers, maar ook bouwstenen van defensiegereedheid.

Die lijn sluit aan bij recente uitspraken van VWS-minister Sophie Hermans. Zij sprak op een zorgcongres in Berlijn over gezonde, fitte en veerkrachtige jongeren als basis voor een samenleving die crises aankan. Ook verwees zij naar samenwerking tussen zorgmedewerkers en militairen tijdens een oefening voor medische zorg bij gewapend conflict.

Los gezien leek dat misschien een brede zorgtoespraak over crisisbestendigheid. In het licht van de nieuwe Defensiestukken krijgt het een hardere politieke lading. Volksgezondheid, acute zorg en militaire paraatheid schuiven dichter naar elkaar toe.

Jongeren in beeld
Ook jongeren komen nadrukkelijk terug. Het kabinet noemt verschillende initiatieven waarmee Defensie de verbinding met de samenleving wil versterken. Daarbij gaat het onder meer om de Nationale Weerbaarheidstraining, Defensity College, het Dienjaar en de leergang Nationale Veiligheid.

Daarnaast wordt gewezen op gastlessen door veteranen op scholen, samenwerking tussen Defensie en onderwijsinstellingen en weerbaarheids- en sporttraining via het programma Sport en Defensie Maken Weerbaar.

Dat past in een bredere ontwikkeling. Jongeren van zeventien krijgen al een dienstplichtbrief. Daarbij hoort sinds kort ook een enquête van Defensie om belangstelling voor de krijgsmacht te peilen. Ook wordt gewerkt aan een model waarin vrijwillige betrokkenheid stap voor stap kan opschuiven richting meer verplichting.

In de nieuwe stukken staat dat Defensie een grondslag wil om jongeren van 17 tot en met 27 jaar te enquêteren over hun belangstelling voor vrijwillige indiensttreding. Dat klinkt nog vrijblijvend. Maar samen met de bredere discussie over het Dienjaar, de escalatieladder en de personeelsgroei van Defensie ontstaat een duidelijke richting: jongeren worden eerder, vaker en structureler benaderd voor militaire inzetbaarheid.

Reservisten zonder noodtoestand
Een van de opvallendste passages gaat over reservisten. De wet maakt het mogelijk dat Defensie in tijden van ‘oplopende spanning’ verder kan gaan dan normaal. Ook als er geen officiële uitzonderingstoestand is.

Volgens de stukken kan het bij personeelstekorten nodig zijn om reservisten op korte termijn verplicht in werkelijke dienst te roepen. Dat kan bijvoorbeeld spelen als parate onderdelen richting een mogelijk gevechtsgebied worden verplaatst en er in Nederland taken openvallen.

Ook wordt genoemd dat personeel in acute situaties buiten bepaalde regels voor werk- en rusttijden kan worden ingezet. Zelfs ontslagaanvragen van militairen kunnen worden afgewezen als dat nodig is voor de gereedstelling.

Het kabinet benadrukt dat dit geen gewone personeelsvoorziening mag worden en dat het moet gaan om tijdelijke en proportionele afwijkingen. Toch is de strekking duidelijk. In de grijze zone vóór een officiële noodtoestand krijgt Defensie meer ruimte om in te grijpen in de positie van personeel.

Meer Defensie in het dagelijks leven
Het kabinet erkent zelf dat burgers Defensie vaker zullen tegenkomen. Door de geopolitieke situatie wordt de krijgsmacht zichtbaarder in de samenleving. Daarom is volgens het kabinet transparantie nodig over wat gereedstelling vraagt van burgers. Ook spreekt het kabinet over ‘empathie’ en ‘verwachtingsmanagement’ richting de bevolking.

Die formulering zegt veel. De overheid weet dat de samenleving meer gaat merken van militaire voorbereiding. Niet alleen door oefeningen, geluid of transport. Maar ook via onderwijs, zorg, werkgevers, reservisten, data, inkoop, energie en lokale overheden.

Waarschuwing voor securitisering
De Raad van State ziet die spanning ook. De adviseur erkent de noodzaak van een sterkere krijgsmacht, maar wijst tegelijk op de balans met andere publieke waarden en belangen. In de onderliggende verwijzing naar de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid klinkt bovendien een duidelijke waarschuwing: vergroot de weerbaarheid, maar waak voor overmatige securitisering.

Dat woord raakt de kern van het debat. Securitisering betekent dat steeds meer maatschappelijke onderwerpen worden behandeld als veiligheidskwestie. Gezondheid wordt dan niet alleen zorgbeleid. Onderwijs wordt niet alleen vorming. Logistiek wordt niet alleen economie. Alles komt in het teken te staan van dreiging, crisis en paraatheid.

Precies daar wringt de nieuwe Defensiewet. Het kabinet noemt de aanpak noodzakelijk om Nederland weerbaar te maken. Maar wie de stukken leest, ziet ook een fundamentele verschuiving: de krijgsmacht wordt niet alleen groter, zij wordt ook dieper in de samenleving ingebed.

Defensiegereedheid als nieuwe meetlat
Opvallend is ook dat de minister jaarlijks bij de begroting zichtbaar moet maken welke ernstige belemmeringen de gereedstelling van Defensie in de weg staan. Daarmee kan Defensie steeds opnieuw aangeven welke regels, belangen of maatschappelijke sectoren de militaire paraatheid vertragen.

Dat maakt defensiegereedheid tot een vaste meetlat voor beleid. Niet tijdelijk, niet alleen bij oorlog, maar structureel. De wet staat immers niet pas aan bij een officiële noodtoestand. Zij is bedoeld voor de periode daarvoor: de lange, onduidelijke fase van dreiging, hybride conflict en oplopende spanning.

Die beweging staat niet op zichzelf. De afgelopen jaren is binnen de Nederlandse bestuurstop al een bredere verwevenheid zichtbaar tussen civiel bestuur, Defensie, de NCTV, de AIVD, politie en crisisstructuren. Steeds vaker schuiven bestuurders en topambtenaren met een veiligheidsachtergrond door naar sleutelposities binnen ministeries en uitvoeringsorganisaties. Daardoor wordt beleid op steeds meer terreinen benaderd vanuit risico, dreiging, crisis en controle.

De nieuwe Defensiewet geeft die ontwikkeling nu ook een juridische en bestuurlijke bedding. Waar eerst vooral personen en netwerken uit het veiligheidsdomein opschoven naar civiele functies, schuiven nu hele beleidsterreinen richting de logica van defensiegereedheid. Dat maakt de discussie groter dan alleen militaire oefenruimte: het gaat om de vraag of Nederland langzaam verandert in een bestuurssysteem waarin veiligheid de dominante bril wordt voor vrijwel elk maatschappelijk dossier.

You cannot copy content of this page