
Ruben (47) en Marianne (44) verloren afgelopen jaar hun geliefde dochter Roos aan suïcide. Het leven was voor haar té complex om tegen opgewassen te zijn. Jarenlang ging ze de jeugdzorg in en uit; ze konden haar niet helpen. Volgens de inspectie, die de dood van het 17-jarige meisje onderzocht, schoot de hulp om veel redenen tekort. Dit is het verhaal van Roos en haar ouders.
Een uitgestrekt bloemenrijk grasland gloort in de avondzon. Met tussen de bloemen een gekerfde boomschijf met naam en twee data. „Roos wist dat ze hier kwam te liggen als de laatste poging zou slagen. Hier in de natuur van Heidepol op de Veluwe. Ze wilde opgepeuzeld worden door de diertjes, zoals ze het zelf zei. Zichzelf teruggeven aan de natuur waar ze zo van hield.”
Dat vertelt haar moeder Marianne, die samen met Ruben naar de natuurbegraafplaats is gereisd, om juist daar op de foto te gaan. De plek brengt hen rust en bezinning.
Een dag eerder spreken we urenlang aan de eettafel in hun ruime doorzonwoning in Woudenberg. Over de angsten van Roos, haar banjo die aan de muur in de woonkamer hangt, haar voortdurende drang richting het spoor, de kraanvogels van origami en de muren van de jeugdzorg. „Dat er met Roos iets aan de hand was, voelde ik al vroeg”, vertelt Marianne.

De gekerfde boomschijf met de naam van Roos en twee data. Rechts: Roos met haar hulphond Bobbie, haar grote steun en toeverlaat. © Koen Verheijden / privéfoto
„Als klein meisje liet ze zich niet troosten, zoals je je dat als moeder voorstelt. Op een knuffel of arm om haar heen reageerde ze vooral afwerend. Ze had ook een ijzersterke wil en was zó eigenwijs. Op 3-jarige leeftijd bleef ze tegen de juf volhouden dat brood niet van de bakker komt, omdat wij haar glutenvrije brood bij Albert Heijn haalden. Handjes geven vond ze vreselijk vies. Ze heeft altijd al last gehad van hoe dingen aanvoelen of smaken.”
Ze bleef maar herhalen: ‘Ik moet dood, ik moet dood’. Ik wist niet meer wat ik ermee aan moest
moeder Marianne
Die gevoeligheid laat zich op school steeds meer gelden. Roos raakt van alles overprikkeld. Zo krijgt de hele klas speciaal voor haar tennisballen onder de stoelpoten tegen het krasgeluid en is ze snel overstuur door de mening van andere kinderen. Ondertussen trekt ze zich het leed van de hele wereld aan. Dat niet iedereen vegetariër is kan ze nauwelijks verkroppen.
Dan is daar opeens het virus. De uitbraak van corona bekent per direct een verergering van de worstelingen waar Roos zo jong al mee kampt. Ze heeft inmiddels de diagnose Asperger – een vorm van autisme – met een hoog IQ.
Denk je aan zelfdoding of maak je je zorgen om iemand? Praten erover helpt en kan anoniem via de chat op www.113.nl of telefonisch op 113 of 0800-0113.
„De coronaregels waren voor Roos superverwarrend. Omdat de regels steeds weer veranderden bracht het allemaal maar extra onrust. Ze was ook bang dat ze haar opa en oma zou vermoorden met het virus. En haar handen desinfecteren? Het idee aan het gevoel alleen al, maakte haar gek”, vertelt haar vader Ruben over de tijd dat het wel pittig, maar nog behoorlijk behapbaar was met zijn dochter.
Dat verandert voor het eerst na een incident op de middelbare school – Roos volgt speciaal onderwijs – waardoor ze uiteindelijk thuis belandt. Niet voor even, maar definitief als thuiszitter.
Wegens mentale problemen krijgt ze vrijstelling van de leerplicht. „Thuis bleef ze maar herhalen: ‘Ik moet dood, ik moet dood’. Ik wist niet meer wat ik ermee aan moest”, vertelt haar moeder. „Het was voor het eerst dat ze onder woorden bracht hoe moeilijk ze het leven vond.”
„Het sociale team van de gemeente, waarvan we begeleiding hadden, stelde voor om haar tijdelijk naar een logeerhuis te brengen. Hadden ze een gezin gevonden met twee baby’s. Wat denk je nou? Dan ken je Roos toch wel héél slecht. Ze trok het geluid al niet van haar broer op de trap”, zegt Marianne, met in haar rug voor het raam een slinger van hartjes. Gemaakt van de kleding van Roos.
Het is de eerste confrontatie van Ruben en Marianne met de jeugdhulp, die in de jaren die volgen maar niet passend te krijgen is. De lijst van betrokken instanties, opnames, klinieken, crisissituaties en suïcidepogingen beslaat letterlijk een behangrol. Daar zijn nog foto’s van.
De behangrol met alle opnames, incidenten en hulpverlening. Op de achtergrond hulphond Bobbie. © Privéfoto
Marianne: „De eerste keer dat Roos werd weggestuurd bij de ggz weet ik nog goed. Ze was vrijwillig opgenomen in Fornhese Almere, vanwege haar angsten. Ze had ondertussen ook een eetstoornis.”
„Alles rond eten was super ingewikkeld voor haar. Groente en fruit lukte niet en qua drinken ging ze ongeveer alleen goed op Taksi. Nadat ze bij Fornhese een week lang niks had gegeten, kon ze vertrekken. ‘Wij zijn geen eetstoorniskliniek’, kregen we te horen. ‘Ze gaat eten of naar huis.’ Terwijl ze dus echt behandeling nodig had voor ál haar problemen.”
Precies dat maakt Roos’ ouders boos en gefrustreerd. Toen en nu nog steeds. „De hulpverlening bestaat uit allemaal hokjes. De één is gespecialiseerd hierin, de ander weer daarin. Maar heb je én een autismespectrumstoornis, én eetproblemen en zit je ook verder mentaal in de knoop, dan kun je nauwelijks terecht. Al zeker niet in deze regio rond Amersfoort. Bovendien zijn de wachtlijsten enorm.”

Ruben en Marianne bezoeken in het grasland de laatste rustplek van hun dochter Roos. © Koen Verheijden
En dus belandt Roos weer thuis en is het wachten op een crisis. Want een gedwongen crisisopname van drie weken, dat kan dan weer wel. Ruben veegt zijn tranen weg. Zegt dan: „Ik vergeet nooit hoe ik haar aantrof met polsen onder het bloed. Ze had zich verslapen voor therapie en sms’te me vanuit de slaapkamer. Dat ze haar polsen had doorgesneden. Ik dacht, o nee, dit is dan de volgende stap. Ik weet nog hoe ik de spanning voelde en ten diepste besefte hoe moeilijk ze het leven vond. Ik dacht ook: lief dat je mijn hulp vraagt.”
Je houdt het vol, omdat het je kind is
Vader Ruben
Het is dan januari 2025 en zal het begin zijn van een lange reeks crisisopnames afgewisseld met periodes thuis. Periodes waarin haar ouders dag en nacht op scherp staan en moeten dealen met ‘de acties’ van Roos, zoals haar vader haar suïcidepogingen noemt.
Op allerlei manieren probeert ze zichzelf wat aan te doen. „Vaak ging ze rechtstreeks richting het spoor. En wij op afstand erachteraan. Of er stond opeens politie voor de deur, als ze haar hadden weggeplukt.”
Marianne vertelt hoe ze bij de badkamer stond, terwijl ze wist waar Roos mee bezig was. Al pratend probeerde ze de verbinding met haar dochter te zoeken. „Ik zei: weet dat ik er voor je ben. En vroeg: kun je een andere manier vinden om je hoofd weer rustig te krijgen? Soms hielp het als ik haar hond Bobbie erbij haalde. Haar grote steun en toeverlaat.”

Roos met haar hulphond Bobbie © privéfoto
Hoe confronterend ook, Ruben en Marianne blijven met Roos in gesprek. „Je houdt het vol, omdat het je kind is. En ik wil geen dood kind. Aan de andere kant kon ze opeens onverwacht relaxed uit de hoek komen. Dan had ze zin in een film van Winnie de Poeh. Had ze voor hapjes gezorgd en was het oprecht gezellig. Maar toen wilde ze pauze en zei uit het niets ‘dit was mijn afscheidsavondje’. En weg was ze weer. Naar het spoor.”
Als de situatie in mei 2025 onhoudbaar wordt, proberen Roos’ ouders haar opnieuw te laten opnemen. Maar een plek, die komt er niet. Fornhese weigert haar gedwongen op te nemen. De jeugdinstelling, onderdeel van GGz Centraal in Amersfoort, heeft geen extra beveiligde kamer (EBK) – een soort separeerruimte – terwijl dat voor Roos wél nodig is voor haar veiligheid.
„De deur ging letterlijk voor ons dicht. Ik zie die socio-therapeut nog staan, terwijl Roos hard wegrende over het gras. We waren niet welkom. Perplex stonden we. Hoezo is ze thuis beter af? Zij konden haar al niet aan. Hoe kwamen we hier ooit nog uit?”
De plek die ruim een maand later toch gevonden wordt, zal Roos haar eindstation zijn. In Venlo op 126 kilometer van huis.
De ontvangst bij de Limburgse Mutsaertsstichting is open en vriendelijk en zo nodig is er een EBK. Ruben kan slapen in een huisje op het terrein, om dicht bij zijn dochter te kunnen zijn. Ook Marianne komt vaak.
„Er werd enorm meegedacht en gekeken naar wat Roos nodig had. Ze kon inmiddels ook behoorlijk fysiek uit de hoek komen. Toen ze op een gegeven moment haar halve kamer afbrak, inclusief haar geliefde banjo, kreeg ze een eigen vleugel. Ook hond Bobbie mocht er wonen. Alles om Roos rust te geven in haar hoofd.”
Maar dan is het 8 augustus 2025. En na een pittig gesprek met haar kinderpsychiater wil Roos een stukje rijden met haar vader. Om weer rustig te worden in haar hoofd. Zoals ze wel vaker deden.
Roos speelt op de banjo
27 seconden00:27
Ruben wil erover vertellen, door zijn tranen heen. Dat Bobbie niet lekker was en op de achterbank had geplast. En dat Roos vroeg om te stoppen. Dat hij nog even haar arm vastpakte, toen ze uitstapte om er vandoor te gaan. En hij keek naar de kuiltjes in haar wangen.
„Ik reed weg van de plek en zag als eerste die spoorboom. Toen het straatnaambordje Bevrijdingsweg. Het zou toch niet echt? Direct belde ik de kliniek, om te vertellen dat ze ervandoor was. De afspraak was normaal gesproken dat ik in zo’n situatie bij de instelling op haar zou wachten. Dat was al vaak goed gegaan. Maar deze keer adviseerden ze, na intern overleg, om met de hond naar huis te rijden. En eerlijk gezegd maakte me dat boos. Ik wilde er voor haar zijn als ze terug zou komen. Met haar naar het ziekenhuis rijden, als dat nodig zou zijn.”
„Ik dacht nog: wat als ze dood is? Maar ik begreep het ook dat ze zeiden dat ik met de zieke Bobbie beter naar huis kon gaan. Het was altijd nog goed afgelopen met Roos. Maar toch. Naarmate de autorit vorderde, kreeg ik er een steeds slechter gevoel over. Ook omdat ik helemaal niets meer hoorde.”
Roos als jong meisje (links) en met haar hulphond Bobbie. © privéfoto
„Ik ben toen voor de zekerheid naar een bibliotheek doorgereden om op alarmeringen.nl te kijken – een smartphone heb ik niet. Wat ik las? Er was een helikopter opgeroepen voor de Bevrijdingsweg. Maar die was al gauw weer afbesteld. Niet meer nodig. Vanaf dat moment stond de tijd stil. Zolang ik niet hoorde hoe het was afgelopen met Roos, was in feite alles nog mogelijk. Surrealistisch, zo voelde het. Tot die twee agenten aan de deur stonden.”
Marianne neemt een slokje water uit haar glas. Haar subtiele tatoeage valt op. Alsof ze een dun zwart koordje een paar keer om haar pols heeft gedraaid. Met daaraan bungelend kleine, origami-kraanvogels. „Roos wilde duizend kraanvogels vouwen, omdat het geluk zou brengen. En dat heeft ze gehaald ook. Ze maakte er slingers van en gaf ze graag cadeau. Kraanvogels hóren gewoon bij haar. Bij haar uitvaart hebben we ze uitgedeeld.”
Dat de dood van hun dochter uiteindelijk leidde tot een inspectierapport voelt enorm dubbel. „Iedereen heeft goede bedoelingen met Roos gehad, maar dat tekortkomingen bloot zijn komen te liggen is ook enorm van belang. Want voor jongeren zoals Roos is gewoon plek nodig. We willen het hoofdstuk met de hulpverlening ook kunnen afsluiten. En ons op andere dingen richten.”
In de voortuin vol zomerbloeiers staat inmiddels een groot makelaarsbord. Het huis waar Roos de laatste jaren van haar leven woonde en waar de garage voor haar werd omgebouwd tot een eigen plekje met badkamer, is verkocht. „Zonder Roos en zonder haar broer die sinds kort het huis uit is, werd het te groot. Te leeg. We gaan elders onze plek vinden.”
WhatsApp • Instagram • Bluesky • Facebook • Threads • X.com • LinkedIn